Fotocredit:
EFKS/Shutterstock.com

Vanaf de zijlijn

Gepubliceerd op: 08 november 2018
 

Sinds 1 januari 2016 bekijk ik ons fondsenwervende speelveld vanaf de zijlijn. Dat is een vreemde ervaring. Je beseft direct dat je het spel nooit meer kunt zien als een echte toeschouwer. De onbevangen blik bestaat niet meer voor mij.

Wat mij nu opvalt, zijn dingen die je als actief medespeler nauwelijks ziet. Wat je toen nooit opviel, was het spel van de toeschouwer. Omdat ik pas twee jaar langs de zijlijn sta, moet ik voorzichtig zijn met mijn uitspraken. In twee jaar ben je nog geen trendwatcher geworden. Ik kan echter mijn passie niet onderdrukken en meen dat mijn analyse hout snijdt als ik naar verschillende soorten toeschouwers kijk.

Jammer genoeg sta ik niet langs de lijn als een coach. Die functie kennen wij in de fondsenwerving niet. Ik ontdek nu hoezeer de sector gebaat zou zijn bij die functie. Tegelijkertijd ben ik bang dat de fondsenwervers nog steeds te eigenwijs, te zelfvoldaan zijn om in te zien dat een coach hen verder zouden helpen.

Als toeschouwer, breng ik nu de meeste tijd door op de bank. Daar zie ik advertenties in de kranten, luister ik naar de radio en kijk ik tv. Langs de zijlijn ben ik milder geworden voor de andere kijkers. De meeste toeschouwers geven aan een goed doel. Jammer genoeg geven zij nooit meer dan een aalmoes. Dat neem ik hun niet kwalijk. Het ligt niet aan hen. Het komt ook niet doordat er te veel goede doelen zijn. Het grote aanbod doet mij deugd. Het ruime aanbod appelleert aan ieders ingeboren deugd om de wereld mooier te maken dan hij nu al is. Maar waarom heb ik zelden het gevoel, dat ik moeilijk kan kiezen tussen het een of het andere goede doel? Waarom zie ik de meeste goede doelen als bedelaars? Het komt doordat zij tevreden zijn met een aalmoes. Doordat er zelden een appel op die ingeboren deugd gedaan wordt. Die deugd wil uitgenodigd worden om mee te doen aan iets wat meer is dan het alledaagse. Blijkbaar missen die fondsenwervers een coach,die hen voor hun middelmatigheid uitfoetert.

Langs de zijlijn word ik bevestigd in mijn ervaringen. Ik zie dat het publiek geen genade kent met de goede doelen die hun compassie niet tonen. Het publiek geeft geen snars om bedelbrieven met een extra potloodje als de boodschap van de brief niet overtuigt. Zij worden geïrriteerd als zij opnieuw worden benaderd om te geven voor een doel dat hun interesse niet heeft. Van een goed doel verwachten zij meer compassie dan van de supermarkt. Een supermarkt kan het zich permitteren om bij iedereen een folder in de bus te stoppen. Iedereen heeft elke dag boodschappen nodig. Een goed doel moet uitnodigen voor een feestje.

Toeschouwers verschillen van kijkers. Kijkers zien gericht. In gedrag verschillen zij duidelijk van toeschouwers. Kijkers vormen het soort publiek dat met Maarten van der Weijden meeleed en hem aanmoedigde. Het is een totaal ander soort publiek dan ik uit mijn eigen ervaring ken bij Wilde Ganzen. Hier zwom hun held! Wie echter meent dat het doel daardoor minder telde, snapt niets van de emoties die fondsenwerving sturen. Er zou niemand langs de oevers hebben gestaan als hij deze waanzinnige prestatie had geleverd voor het behoud van het rood gestippelde lieveheersbeestje. Daar zou de pers ook geen enkele aandacht aan hebben besteed, behalve dat men zich wellicht had afgevraagd wat hem bezielde. Maar Maarten spande zich in om geld in te zamelen voor een levensbedreigende volksziekte.

Het ene evenement is het andere niet. Ik begrijp dat sommige jongeren zich aangetrokken voelen om de Passion te bezoeken. Zij beleven daar iets wat andere leeftijdsgenoten op Low Lands beleven. Dat gun ik ze. De bedenkers van het evenement steken met kop en schouder boven andere confessionele artiesten en regisseurs uit. Ik ben echter niet meer jong en mis de onbevangenheid van de gewone kijker. Daarom word ik iedere keer treurig van deze vertoning. De Passion is gratis, net zoals de toegang tot iedere andere processie. Daardoor lijkt het alsof het niets kost. Alsof er ergens een wonderlijk kruikje staat waaruit zomaar gratis en voor niets olie gegoten kan worden. Maar dat is niet zo. Het evenement wordt duur betaald, niet met publieke middelen, maar onder andere met geld van het goede doel. Daarom stemt het mij iedere keer treurig. Die donaties brengen geen duurzame veranderingen teweeg. Iedere keer staan er net als bij andere processies twee soorten mensen langs de zijlijn. Er zijn mede-gelovigen maar ook heel veel toeschouwers die aangetrokken worden door de magie van het exotische evenement. Bij slecht weer blijven de laatsten thuis en kijken voetbal. De gelovigen merken ieder jaar bij thuiskomst dat het kruikje weer leger is geworden dan de vorige keer.

De musea met een hoog attractiegehalte trekken het meeste publiek. Van Gogh is ons meest aantrekkelijke museum. Daarna volgt het Anne Frankhuis dan pas het Rijksmuseum, direct gevolgd door de Hermitage. 

Vervolgens komen Nemo, Openluchtmuseum, het Scheepvaartmuseum, het Haags Gemeentemuseum, Spoorwegmuseum en Kröller- Müller langs. Hier word ik blij van. Al die musea hebben een unieke collectie. Dat is niet de verdienste van de werkers in die musea. Zij erfden de stukken, dat kost niets. Met hun eigen inventiviteit en creativiteit ontdeden zij de collectie van het stoffige karakter van hun museum. Daardoor raakten ze de kostbare snaar in de inborst van het publiek. Staand langs de zijlijn zie ik drommen opgetogen mensen die in lange rijen willen wachten om deze evenementen mee te maken. Vlak voordat ik dit stuk inzond, berichtten de media juist over kritiek op die aanpak van een aantal musea. Het zou steeds meer gaan om events en omzet en niet om de museale waarde. Die criticasters hebben er niets van begrepen. De actieve museadirecties wel.

Het kijken vanaf de zijlijn bevestigt ook mijn ervaringen. De werving van geld door middel van evenementen is niet voor elk goed doel de meest logische aanpak. Als toeschouwer kan ik nu bevestigen dat het publiek snel doorziet wat kwaliteit is en wat niet. Ook de weduwe die slechts een paar duiten aan het goede doel kan besteden, ziet dat. Zij moet zorgvuldig omgaan met haar geld en neemt alle tijd om haar kleine donatie goed te besteden. En zij kiest er dan heel rationeel voor om het geld te geven aan het doel dat haar de grootste emotionele vervoering geeft.

Vanaf de zijlijn merk ik dat fondsenwervers nauwelijks nadenken over hun identiteit. Het goede doel heeft veel weg van een plant. De plant heeft maar één standplaats en uiteindelijk een heel beperkte set van genetische mogelijkheden. Met die geërfde eigenschappen en op die plaats moet zij aantrekkelijk zijn voor passanten. Fondsenwervers die leren van hun ervaring, beseffen dat zij niet voor alle donateurs aantrekkelijk zijn. Nemo is geen Kröller-Müller en de actie van Maarten van der Weijden is niet hetzelfde als de Dam tot Damloop. De identiteit van een goed doel wordt uiteindelijk bepaald door zijn donateurs en niet andersom. ‘Reframing the message’ lukt alleen in de uitzonderingsgevallen zoals McLuhan het ook bedoelde. Het lukt alleen wanneer ‘The medium the massage’ kan worden. Die boodschap vond hij bij toeval en is eigenlijk alleen in het Engels te begrijpen. Alleen daar waar de massage van de ziel lukt, kunnen nieuwe generaties donateurs geworven worden.

Een nieuwe trend zie ik bij de politieke toeschouwers. De huidige generatie politici worstelt met de betekenis van altruïsme. In de verdedigers van de ‘ware vrijheid’ zie ik tendensen van een nieuw soort neutraliteit. Het idee is dat de overheid geen partij mag kiezen en strikt neutraal moet zijn voor haar burgers. Iedereen moet onder gelijke omstandigheden gelijk behandeld worden. Daarom mag de overheid geen voorkeur uitspreken voor altruïstische of egoïstische burgers. De overheid moet de aftrekbaarheid van giften afschaffen. In mijn nieuwe rol als toeschouwer langs de zijlijn word ik niet overtuigd. Ik vind dat burgers het recht moeten houden om binnen redelijke grenzen zelf te bepalen aan welke maatschappelijke doelen zij bijdragen. Daarbij verwacht ik van de overheid, dat zij die redelijke grenzen ook handhaaft. Helaas constateer ik dat het Haagse pluche daarbij geen enkele taak gunt aan de lagere overheden. Het verschil tussen ANBI en SBBI blijft daardoor een wassen neus en de handhaving een farce. Bovendien zou het wegvallen van de anbi – en dus de fiscale aftrekbaarheid – benadrukken dat maatschappelijke organisaties ten opzichte van de overheid onafhankelijk zijn.

De politiek toont geen enkele belangstelling voor onze sector. Herinneren we ons nog het convenant ‘Ruimte voor Geven medio 2011’? Overheid en goede doelen gingen op allerlei gebieden echt samenwerken. Je hoort er niets meer over. Vanaf de zijlijn begrijp ik dat nu beter dan ooit. Tegelijkertijd ben ik er meer dan ooit van overtuigd dat politici de balk voor hun ogen moeten wegnemen. Een politieke partij is immers een heel bijzonder goed doel. Een partij verloedert wanneer die ophoudt een goed doel te zijn. De voortdurende daling van het aantal leden van politieke partijen is het bewijs dat het publiek geen enkele genade toont met goede doelen – en dus ook politieke partijen - die compassie missen.

Vanaf de zijlijn blijf ik nog steeds overtuigd van het nut van het Centraal Bureau Fondsenwerving. Dankzij hun verslagen kan ik ook op mijn nieuwe plaats het beeld dat de goede doelen van zichzelf tonen, vergelijken met de beelden van andere goede doelen. Net zoals Henk de Graaf elk jaar het onderzoek Nalaten doet, waarover elders in dit nummer meer. Ik beschik daardoor over feiten. Vanaf de zijlijn blijf ik uiterst sceptisch over de toeziende rol die de overheid in haar luiheid aan het CBF toedicht. Het zelfreinigend vermogen van algemene instituties is al minimaal maar bij instanties die zichzelf goede doelen noemen is het helemaal afwezig.

Maarten de Vries was ruim 22 jaar directeur van Wilde Ganzen, werkte als consultant voor een groot aantal maatschappelijke organisaties en was tot eind 2015 elf jaar redacteur bij Vakblad fondsenwerving. Met grote eruditie, een brede ontwikkeling en veeljarige ervaring heeft Maarten heel veel waardevolle kopij geproduceerd. Hij ziet zichzelf nu als een – relatieve – buitenstaander. Als die ‘relatieve buitenstaander’ tegen iets aanloopt dat hij kwijt wil, dan maken we daar in Vakblad fondsenwerving graag ruimte voor.

Gerelateerde items: 

Geef uw commentaar

Leveranciers